~ We zijn allemaal blij, we zijn allemaal boos. Dat zijn mijn broertjes en zusjes. ~
Aldus mijn zoontje, een liedje uit een of ander kinderprogramma parafraserend. In de onnozele onschuld van een zevenjarige komt het niet in hem op welke diepe overwegingen hieraan zijn te verbinden. Ik trap een open deur in wanneer ik opmerk dat goed en kwaad in ieder mens schuilgaan – weinigen zullen immers niet het goede in zichzelf en het kwade in een ander kunnen herkennen. Interessanter wordt het om eens te bekijken hoe de mens, door de geschiedenis heen maar ook, misschien zelfs wel juist nog steeds, in het heden het kwaad van zichzelf probeert af te zonderen en het in plaats van in de eerste in de derde persoon gesteld te krijgen. Voorbeelden hiervan zijn legio: heksen, Joden, moslims, communisten, imperialisten, kapitalisten, Osama Bin Laden, Adolf Hitler, Marokkanen, Sadam Hussein, Ayatollah Khomeini, Fidel Castro, Kim Young-Il, enzovoorts – allemaal mensen of groepen van mensen die op enig moment als collectieve vijand en daartoe, veelal onder druk van overheidspropaganda, als vleesgeworden kwaad moesten (en nog steeds moeten) worden gezien.
De Britse occultist Aleister Crowley had, als een der weinigen in de geschiedenis van de mensheid, niet de neiging om het kwaad buiten zichzelf te stellen, omarmde zijn donkere kanten en koketteerde hier zelfs mee. In het puriteinse Groot-Brittannië van de eerste helft van de vorige eeuw werd hij daardoor voor de publieke opinie een dankbare verpersoonlijking van het eigen individuele kwaad. De daar ook indertijd heersende tabloidcultuur deed de rest, en Crowley groeide weldra uit tot publieke vijand en cultheld tegelijk. Toch heeft hij, door al zijn doldwaze strapatsen heen – waarop ik ooit nog eens uitgebreid terug hoop te komen – een aantal interessante en scherpzinnige observaties over het menselijk kwaad gedaan die nergens in de christelijke en humanistische filosofie terug zijn te vinden, naar mag worden aangenomen omdat het innerlijk duivelse zich noch met het christelijke, noch met het humanistische mensbeeld verdroeg.
Crowley waande zich de Duivel, althans zo wendde hij voor, en had daar de grootste lol bij – ‘de Duivel lacht’ – omdat de mensheid weigert in te zien hoe zij zelf een werkelijkheid schept en deze vervolgens bestrijdt. Hij meent zelfs dat de Duivel, in de christelijke traditie immers de verpersoonlijking van het kwaad, voor wie het christelijk geloof aanhangt, de ware vriend en God der mensen is. Zulks in tegenstelling tot de onberekenbare en wraakzuchtige God die, ondanks Zijn almacht, de offerdood van Zijn Zoon verlangt om Zich met de mensheid te verzoenen. Crowley vond juist alle mensen zwarte magiërs – het stigma dat men indertijd zo gretig aan hem hechtte – die niet door hebben dat het juist de strijd tegen het kwaad, in hogere zin dus de strijd tegen zichzelf, is die tot ondergang en vernietiging leidt.
Crowley deed weliswaar vaak gek maar was dat geenszins. Hij had haarscherp door dat de Bijbel zijn lezers een innerlijk inconsistent godsbeeld voorhield. In het Oude Testament wordt over de Duivel nauwelijks met een woord gerept, hooguit in een enkele allegorische verwijzing zoals bij de overbekende Zondeval, maar in geen enkel geval als afzonderlijke entiteit of gedaante. God herbergt en verenigt in het Oude Testament in wezen alle denkbare polaire hoedanigheden in zich en treedt daarbij voornamelijk op als rechter in de turbulente lotgevallen van Zijn Schepping. In het Nieuwe Testament verandert dit drastisch, krijgt het kwaad een duidbaar, afzonderlijk en eigen gezicht, laat Hij het veldwerk voornamelijk aan Zijn Zoon en diens volgelingen over, en plooit God zichzelf terug in een rol als liefdevol vader.
De apostelen en Paulus zullen in al hun goede bedoelingen nooit hebben vermoed het christelijk nageslacht daarmee zo’n geweldig handige schaamlap te hebben verschaft. Geen ingewikkeld gedoe meer met pijnlijke zelfreflectie en bezwaard gemoed; geen onbegrijpelijke meditatieve toetsingen meer zoals bij de Chinezen of de Indiërs. Het ethische speelveld was ineens simpel en overzichtelijk: wij zijn goed en zij zijn slecht. Het eigen geweten kon nu worden gereduceerd tot het oordeel van anderen over ons, en aldus naar believen op worden beroepen of worden afgedaan. Crowley’s hartstochtelijke weerzin tegen deze hypocrisie is niet alleen begrijpelijk, zij is ook, gegeven de kracht van zijn argumenten, terecht. De fanatieke reformist Maarten Luther zal dergelijke hiaten honderden jaren eerder al stiekem hebben ingezien toen hij de menselijke rede reeds op voorhand afdeed als ‘Duivelshoer’, het Woord Gods niet voor toetsing door het menselijk verstand vatbaar achtte en daarmee elke geloofsbeoordeling buiten iedere discussie plaatste.
De opvatting dat het menselijk verstand in oorsprong slechts is ingericht ter behoud van de soort te midden van andere, fysiek superieure dieren, en daardoor naar de aard niet geschikt is voor het begrijpen van ethische dilemma’s of bijvoorbeeld natuurwetenschappelijke vraagstukken heeft, wonderlijk genoeg, tot de dag van vandaag betrekkelijk eenvoudig in onvermoed brede kring stand weten te houden. Het is natuurlijk een drogredenering, want hoe zou de mens die ethische en natuurwetenschappelijke vragen überhaupt kunnen formuleren als hij daar naar zijn aard geen enkel begrip van zou kunnen hebben? Dat de meeste antwoorden vervolgens weer meer vragen oproepen heeft niets met de structuur van het menselijk verstand te maken, maar is een normaal intellectueel proces dat al bijna tienduizend jaren lang duurt en tot voortschrijdend inzicht leidt. Dat dit inzicht vervolgens aan het gros der mensen niet is – of wordt – besteed is niet alleen tragisch, het is ook gevaarlijk.
Share on Facebook
July 25th, 2010 at 20:56
[...] Kwaad [...]