We mochten een dikke maand geleden naar de stembus om onze politieke voorkeur anoniem kenbaar te maken. Dat wil zeggen, de voorkeur voor wie de controle op de macht zou mogen uitoefenen, want veel meer stellen algemene verkiezingen in de Nederlandse staatkundige verhoudingen niet voor. Voor de meesten is dat al mooi genoeg, en ik zou eerlijk gezegd ook niet goed weten hoe het anders of beter zou kunnen. Toch kom ik met het klimmen der jaren steeds dieper in de problemen om mijn keuze zo te bepalen dat ik mijn stem met overtuiging kan uitbrengen. Het is voor mij steeds meer een kwestie van wegstrepen, in de hoop dat er uiteindelijk eentje overblijft waar nog geen kras doorheen staat. Natuurlijk, de politieke programma’s van de partijen die ertoe doen stonden allemaal online en heb ik ook allemaal gelezen, althans voor wat betreft de op voorhand voor mij minder opportune partijen tenminste op hoofdlijnen doorgenomen. Bovendien zijn er de diverse stemwijzers en kieskompassen – voorwaar geniale hulpmiddelen voor de bepaling van de eigen politieke positie in het minutieus gefacetteerde Nederlandse politieke pantheon. Helaas helpt het mij allemaal maar bitter weinig. Ik weet simpelweg niet of ik kernenergie belangrijker vind dan uitstel van de AOW aanspraak, of dat ik de militaire missie in Uruzgan belangrijker vind dan het tempo waarin het begrotingstekort zou moeten worden afgebouwd. Het is voor mij als de vraag wat ik lekkerder vind, patat of chocola. En hoe meer ik ervan weet, hoe onzekerder ik word.
Eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat de oorzaak van mijn probleem voornamelijk is gelegen in de eigen ontwikkeling van mijn wereldbeeld en niet zozeer in het politieke aanbod, al teken ik daarbij onmiddellijk aan dat ik de politiek nog nooit op wezenlijke ontwikkeling van enig wereldbeeld heb kunnen betrappen, en lijkt men zich in toenemende mate slechts te concentreren op de eigen overleving. De traditionele zuilen van het politieke huis, waarin ik mij dus steeds minder thuis begin te voelen, hebben in feite nog steeds de vorm die Thorbecke en diens tijdgenoten daaraan ooit meegaven. Was de samenleving indertijd grof in haar eenvoud – men was man of vrouw, oud of jong, arbeidsgeschikt of invalide, enzovoorts, gaandeweg hebben alle denkbare tussen- en overgangsvormen stem en plaats gekregen. Dat heeft de politieke staalkaart verrijkt, althans in ieder geval vergroot, en de samenleving als sociaal biotoop complexer gemaakt. Maar aan het innerlijke wezen van het politieke bestuur, de daarin stromende bloedgroepen zo men wil, is in feite geen bal veranderd. Als ware het de Winchester Mansion is er telkens, al naar gelang de praktische agenda van de dag dit vergde, bijgebouwd en werd de plattegrond navenant ingewikkelder. Maar idee en opzet zijn altijd ongewijzigd gebleven. Dit is overigens niet alleen in Nederland het geval; het geldt voor alle westerse landen.
Op de golven van de tijdgeest is, zo heet het, het electoraat op drift geraakt. Was de vroegere Boerenpartij van Boer Koekoek een curiosum, de laatste tijd klotst bijna een kwart van de kiesgerechtigden als een getijdegolf van LPF, via SP, naar PVV, en wie weet wat er nog aan onderbuikbewegingen in het politieke verschiet ligt. Stabilisering hiervan lijkt in ieder geval nog lang niet in zicht. Leiders van de traditionele bestuurspartijen belijden vroom hun zorg over het gebrek aan aansluiting tussen Haagse regentuur en samenleving, maar gaan nadat de politieke kaarten zijn geschud en verdeeld weer spoorslags over tot de orde van de eigen dag. En hoezeer die redengeving ook als dooddoener zal zijn bedoeld om een electoraal echec zich toch vooral niet persoonlijk aan te hoeven trekken, er gaat volgens mij wel degelijk een onvermijdelijke waarheid in schuil. Maar niet alleen de politieke en bestuurlijke structuren zijn in toenemende mate incompatibel met de maatschappelijke werkelijkheid; dat is het gevolg van een dieper probleem, namelijk gebrek aan aansluiting van de heersende formele sociale, juridische en economische structuren met de actuele maatschappelijke realiteit. En de diepere kern van dat probleem is, naar mijn overtuiging, het achterhaalde eigendomsbegrip.
Het heersende eigendomsbegrip, waarbij goederen en ideeën door ruil of schepping onder tegenprestatie (zoals betaling) in de vrijwel volkomen beschikkingsmacht komen, is ontstaan in een tijd waarin voor eigendomswerving uit een wereldlijk domein kon worden geput waarin voor een aanzienlijk deel helemaal nog geen eigendom gold. De wereld was groter dan de mens, en er was ruimte, land, natuurlijke hulpbronnen en onberoerde kennis in overvloed. Men kon, als men dat wilde, iets verwerven zonder dat dit ten koste of laste van iemand anders ging. Met de uit de voegen gegroeide menselijke bevolking, en de druk die dit oplevert op haar biotoop op deze planeet, is dit principieel veranderd. De mens is thans groter dan zijn wereld, die in een grote optiemarkt lijkt te zijn veranderd waarin de winst van de een onmiddellijk ook verlies voor een derde ander oplevert. Het is juist dit effect dat zowel vrijwel alle sociale en internationale spanningen als alle denkbare, al dan niet ingebeelde milieuproblemen veroorzaakt. Ik ben er tegelijk van overtuigd dat hierin de grootste toekomstige bedreiging van de mensheid schuilgaat. Eigendom is meer geworden dan een simpele nutafweging waarmee men iets naar eigen keuze tegen een bepaald offer onder de eigen beschikkingsmacht kan brengen. De afgeleide schade die dit een buiten de transactie staande derde oplevert zou in het eigendomsbegrip moeten worden meegewogen en geweven. Dit vereist een grondige (en ongetwijfeld pijnlijke) herschikking van dat eigendomsbegrip, zowel juridisch als maatschappelijk.
Met enkele willekeurige, voor zich sprekende voorbeelden zal ik duidelijk maken wat ik met die afgeleide eigendomschade aan derden bedoel. Zo hebben westerse farmaceutische industrieën onmetelijke bedragen geïnvesteerd in onderzoek naar en ontwikkeling van aidsremmers. Het resultaat daarvan is, dat zij een profylactische medicijnmix hebben weten te maken die de ontwikkeling van aids bij HIV positieven zodanig afremt dat deze daarmee praktisch tot stilstand kan worden gebracht. Zij beschermden hun kostbare ontdekkingen en ontwikkelingen met octrooien, teneinde de gedane investeringen uiteindelijk gedekt te krijgen en, kan het zijn, winstbarend te maken. Het gevolg hiervan is, dat de profylaxe voor de HIV positieve eindgebruiker een weliswaar levensreddende, maar uiterst kostbare aangelegenheid is. Dit zal hem meestal niet deren, want zijn of haar ziektekostenverzekeraar zal, eventueel onder inhouding van een verhoudingsgewijs gering eigen risico, de torenhoge medicijnkosten voor diens rekening nemen. De vorige Zuid-Afrikaanse president Thabo Mbeki zag dit allemaal met gemengde gevoelens aan. Zijn aidsprobleem ontsteeg de proportionaliteit van hippe homo’s uit de darkrooms van de Amsterdamse grachtengordel, enkele verdwaasde straathoertjes en wat onvoorzichtig overspelige yuppen. Bijna een kwart van zijn voltallige bevolking is HIV positief, maar zijn ontwikkelingseconomie kan de kosten voor de broodnodige aidsremmende profylaxe bij lange na niet dragen. Aanval is de beste verdediging, zo moet hij vervolgens hebben gedacht, en hij liet een kuurtje kopen en dit door zijn beste lab in Pretoria klonen. ‘Patentbreuk’, briesten de westerse pillendraaiers van de weeromstuit in koor, en ze spanden de ene na de andere rechtszaak aan. ‘Whatever‘, haalde Mbeki de schouders op en hij begon onverstoorbaar aan de distributie en regionale wederverkoop van zijn gekloonde en verhoudingsgewijs spotgoedkope aidsremmers. Volgens de traditionele eigendomsredenering hebben de pillendraaiers het volste gelijk aan hun kant, maar zo eenvoudig is het natuurlijk niet. Hoe het formeel-juridisch ook moge liggen, Mbeki’s handelen is, in het zicht van de aanstaande decimering van zijn bevolking, moreel volstrekt verdedigbaar en de pillendraaiers staan, patenten en rechtszaken ten spijt, tot vandaag met zo goed als lege handen in deze kwestie.
Een andere sprekende illustratie van achterhaald eigendomsbegrip betreft de internetpiraterij. Platenmaatschappijen, filmproducenten en ontwikkelafdelingen van computerprogrammatuur en -spelletjes steken vele miljoenen in hun muziek, films, software en games. Maar wie een gemiddelde mp4-speler wil vullen en daarvoor netjes alle auteursrechten zou willen betalen, is tot geeuwhonger en bedelstaf veroordeeld omdat hem dit ettelijke tienduizenden euro’s aan media-aankopen zou moeten gaan kosten. Het ligt voor de hand dat vrijwel niemand dit meer doet, en een even tragisch als lachwekkend kat-en-muisspel tussen producenten en distributeurs enerzijds, en torrentportals en nieuwsgroepen anderzijds is het nog steeds voortdurende gevolg. De conclusie kan geen andere zijn dan dat het auteursrecht, of eigenlijk iedere vorm van intellectueel eigendom, ooit ontworpen op een werkelijkheid die thans allang niet meer bestaat, dringend herziening behoeft.
Een laatste voorbeeld betreft de verdeling van welvaart en natuurlijke hulpstoffen. De rijke westerse landen, ook onze eigen polderieke knollentuin, hebben in de vorige eeuw hun welvaart uit fossiele grondstoffen opgebouwd. Vanwege de milieueffecten hiervan is men inmiddels, al dan niet terecht, van mening dat hieraan paal en perk moet worden gesteld. Productiemethoden zijn dankzij onze welvaart inmiddels zo verfijnd, dat zij in capaciteit de eigen vraag verre kan overtreffen, en prijsbeschermende productiebreidel is al decennia lang het gevolg. Ook de olieproducerende landen in de Arabische en Aziatische regio’s hebben de vetgemeste schaapjes intussen allang ver op het droge. Maar de minder bedeelde ontwikkelingseconomieën in Centraal Azië, Afrika en Latijns Amerika slaan de armen vertwijfeld ten hemel. Zij kunnen hun olierekeningen amper betalen, mogen hun bossen van ons niet kappen, worden bij hun energievoorziening en transportbehoefte met Kyoto-protocollen op straffe van economische represailles om de oren geslagen en hun agrariërs mogen geen profijtelijke gewassen als coca en papaver verbouwen omdat het rijke westen de eigen eindgebruikers daarvan niet in de hand kan houden. In de Afrikaanse Sahelregio snapt men met de voortdurend verhongerende bevolking zo mogelijk nog minder van Europese melkquota, boterbergen, wijnplassen en visquota. In al deze gevallen staan de heersende traditionele eigendomsopvattingen een menswaardige verdeling door globale demping van tekorten met overschotten in de weg. Ik ben er diep van overtuigd dat dit op den duur niet goed kan blijven gaan, en het is voor mij een gotspe dat hier in de mondiale gremia nog met geen woord over is gerept.
Alles welbeschouwd kan het bijna niet anders of Karl Marx had tenminste een begin van een maatschappelijk systeem gevonden waarin de mens op duurzame en vreedzame wijze in zijn en ieders bestaan kan voorzien. Ik hoef alleen maar aan de megalomane waanzin rond managersbeloningen te denken om te weten hoezeer demping van de immer aanwezige klassenstrijd door middel van polderieke consensus bedrieglijke en illusoire verdoezeling is. Twee overwegingen weerhouden me er echter van om nu alsnog eureka kraaiend de horlepiep te gaan dansen. Ten eerste hebben alle praktische uitwerkingen van het marxisme die we tot dusver hebben gezien gefaald, simpelweg omdat de daardoorheen gevlochten dogmatiek en het daaronder liggende mensbeeld te zeer strijdig waren met de menselijke aard zoals deze nu eenmaal is. Ten tweede is elk bestuur van vrijwel iedere samenleving botweg te machiavellistisch om op zuivere, ik zou haast zeggen confucianistische wijze een samenlevingsstructuur te bevorderen waarin het hiervoor beschrevene zou zijn meegebakken. Ik heb het al eens verzucht, de tragiek van de mens is dat juist zijn enkele unieke eigenschap waarmee hij zich van ieder ander dier onderscheidt, zijn vermogen om zijn geschiedenis vast te leggen, een eigenschap is waarvan hij met ijzeren volharding weigert ook maar iets te leren.
Share on Facebook
July 25th, 2010 at 19:44
[...] Tragiek [...]