Terwijl ik dit schrijf kijk ik naar een fotootje van wijlen mijn vader. Het is een kiekje op 13 bij 9 in een Hema-passepartout tussen twee gitaren in, geschoten ergens gedurende de tachtiger jaren van de vorige eeuw. Hij scheurt het bruine pakpapier weg van een enorme atlas van Nederland, hem ter gelegenheid van zijn 25-jarig dienstjubileum door zijn collegae aangeboden, in de achtertuin van mijn laatste ouderlijke woning te Woubrugge. De grijze manen van zijn kalende hoofd golven over zijn oren heen naar zijn nek. Hij lijkt betrokken, maar ik herinner mij nog goed hoe moeilijk hij het had met al die aandacht. Dus begon hij maar te ouwehoeren tegen iedereen, over wat hem bezighield. En met zijn van gebrek doortrokken jeugd kwam dat meestal neer op trotse exhibities over hoever zijn gezin het toch maar mooi had geschopt. En daar had ik het dan weer moeilijk mee, vooral omdat mijn tenen zich maar niet rechten wilden.
Toen iedereen weer weg was kreeg hij de zoveelste preek van mijn moeder te verduren, die hij dan gelaten over zich heen liet komen. Zwaar sjekkie, TV aan, bakkie erbij en, zoals hij dan steevast placht te declameren, laat de boeren maar dorsen, een olifant heeft toch de grootste, of laat de armoede de pest maar krijgen. Hij lachte vervolgens zelf het hardst daarom, niet zelden zelfs als enige, overmand door ergernis als zijn omgeving dan was. Maar ook dat deerde hem niet. Iedereen draait vanzelf weer bij en dat duurt nooit lang. ‘He meid’, voegde hij dan vaak nog schalks mijn nog stuurse moeder toe. Enkele minuten later viel hij dan achter de TV in slaap. Het leven was simpel en de muziek slecht.
De vredigheid die hem zo dierbaar was is hem niet lang gegund geweest. Op 48-jarige leeftijd kreeg hij een zwaar hartinfarct waar hij na lange revalidatie redelijk van leek hersteld. Maar vijf jaar later, in de zomer van 1989, werd, vlak na mijn terugkeer uit Indonesië, longkanker bij hem geconstateerd. Na drie maanden, op de vroege dinsdagmorgen van 19 september, overleed hij. We hadden net samen een nieuwe auto gekocht waarin hij eenmaal, inmiddels doodziek, heeft kunnen rijden.
Ik kijk rond maar kan geen foto van mijn moeder vinden. Zij hertrouwde snel met een ver bloedverwante huisgenoot die sedert mijn tiende jaar al bij ons woonde. Mijn vader had hier, inmiddels wetend dat hij binnenkort zou overlijden, al mee ingestemd en mijn broer en mij gevraagd dit eveneens te doen. Toen de rouwkruitdampen na verloop van tijd waren opgetrokken kwam mijn verhouding met haar gaandeweg ingewikkelder te liggen, mede in verband met de echtscheidingen en relatieverbrekingen die ik zelf doormaakte. Zij overleed in 2002 aan de gevolgen van een hersenbloeding, waarna mijn eigen gezinsleven, altijd legendarisch tumultueus, met de vrouw waar ik nog steeds het leven mee deel en dit naar thans is te overzien ook zal blijven doen, tot rust kwam.
Ik heb veel en diep nagedacht over mijn moeder’s plaats in mijn leven, en de gevolgen die dat voor mij zou kunnen hebben gehad. En hoewel ik het zojuist door mij gesuggereerde verband tussen haar aanwezigheid en de roerigheid van mijn eigen leven nooit aangetoond krijg en dus ook geen sluitende conclusie hieraan kan verbinden, weet ik wel dat haar niet zelden verstikkende optreden mijn recalcitrantie behoorlijk verhevigde. Als gevolg hiervan voegde ik mij altijd maar moeilijk naar de nukken en geneugten van vrouwen, al is dat natuurlijk eerst en vooral mijn, en niet haar, toedoen. Maar wat daarvan ook zij, ik herken bij mijzelf wel iets in de verhouding die Arthur Schopenhauer met zijn moeder had.
Haar overlijden bracht allerlei existentiële familiekwesties aan de oppervlakte die, mede in het licht van de daarop volgende verwijdering van mijn zich terstond in een nieuwe relatie stortende stiefvader, ertoe zouden leiden dat ik de Drentse regio waarin ik met de familie was neergestreken verruilde voor het logistiek voor mij veel aantrekkelijker westen des lands, met een baan in Den Haag en een dochter wier moeder in Alphen aan den Rijn woont. Mijn broer emigreerde zelfs, in 2006, naar Brazilië. Hij is inmiddels getrouwd en heeft daar, voor zover dit zich laat overzien, zijn tempat senang.
Ik leef sedertdien, buiten mijn gezin, zonder bloed- of aanverwanten in mijn omgeving. Moeilijk of pijnlijk vind ik dat niet. De tijd heeft namelijk maar één richting: vooruit. Terugzien is wel eens leuk bij de open haard, of in een blog zodat ik het niet nogmaals hoef te vertellen. Maar het leven gaat verder, carpe diem cras. En dat is maar goed ook. Of, zoals mijn vader placht te zeggen: zo is het!
Share on Facebook
December 8th, 2010 at 01:58
Verreweg je beste epistel so far Alfred. Thanks for sharing it.
December 8th, 2010 at 02:01
Kleine toevoeging; echte vrienden hoeven elkaar niet regelmatig te spreken. Die spreken elkaar als ze daar behoefte aan hebben. En dan is het alsof de tijd daar is blijven stil staan.
Just so you know. En meer is daar en plein publique niet over te zeggen denk ik zo.