Gisteren, 6 februari 2011, werd een van mijn muziekhelden van weleer in de prille ochtend tijdens zijn slaap door de dood overvallen op zijn vakantiestek aan de Spaanse Costa del Sol. Gary Moore was een van mijn allergrootste gitaarhelden in de tijd dat die nog bestonden.
In de late zomer van 1979 bracht de toenmalige drummer van Rainbow, Cozy Powell, een solo-album uit, Over The Top getiteld. Meestal beloofden dergelijke soloalbums van instrumentalisten vooral veel technische expositie en dus muzikaal weinig goeds, en in zekere zin bleek dit album daarop geen uitzondering. Maar met de aanvullende inbreng van Jeff Beck-toetsenist Max Middleton en Humble Pie-gitaarbeul Clem Clempson, gevoegd bij de medewerking van clubmoten uit Rainbow en Whitesnake, kon er evenmin al teveel misgaan. Solootjes konden toen nog en het oor was eraan gewend. De tweede track van het album, Killer getiteld, klonk voor mij wat onwennig: jazzrock van een tot dan ongekende woestheid, met een gitarist die snelheid niet zo zeer als technische expositie liet klinken, maar meer als dynamisch instrument onderdeel maakte van de gehele muziek. Juist die schijnbare terloopsheid maakte al het gitaargeweld dat over mij werd uitgestort des te indrukwekkender. Ik kende de gitarist niet. Gary Moore, volgens de platenhoes. In Mother’s Finest zat ook een gitarist die zo heet, maar dat was iemand anders, een Amerikaan.
Onder de indruk als ik was startte ik een zoektocht naar zijn anciënniteit. Wat had hij nog meer gedaan en met wie? Indertijd viel dat, zonder internet, niet mee. Uiteindelijk vond ik meer materiaal van hem: zijn soloalbum Back On The Streets en het zojuist uitgebrachte G-Force. De tachtiger jaren waren inmiddels begonnen, en muziek werd in toenemende mate gedomineerd door synthesizers, in galm verzuipende drumbeats en androgyne jongens die, met lang blond golvend haar en in leer gehuld, Beethovenmelodietjes in hoog tempo uit een elektrische gitaar konden laten rollen. Een muzikale winter die bijna tien jaar lang zou aanhouden ving aan, maar hier en daar werd nog een vuurtje opgestookt. Gary Moore, met zijn door littekens gehavende gezicht en een haardos die van vlastouw leek te zijn gemaakt, ging zijn eigen gierende en scheurende gitaargang en bleef wars van al wat hip was. Het leverde hem niet al teveel succes op al verwierf hij, keihard werkend, wel een zekere faam.
Toen de tachtiger jaren eenmaal bijna waren verstreken brak de muzikale lente eindelijk aan. Gary Moore, moegestreden met jazz- en hardrock, gooide het roer om en vond in 1990 met Still Got The Blues eindelijk het grote succes waar hij zo lang zo hard voor had gewerkt. Hij zou met zijn intense gitaarwerk zijn eigen plekje veroveren in de moderne blues, al verdween hij daarmee wel uit mijn belangstelling. Het werd erg veilig allemaal, toegankelijk, commercieel, spanning- en risicoloos, zelfs saai. De wilde verkenningen van Flight Of The Snow Moose, de woeste uitbarstingen van White Knuckles, ze waren uit zijn muziek verdwenen en zouden nooit meer terugkeren.
Waar Todd Rundgren in de zeventiger jaren mijn muzikale oriëntatie vormgaf, heeft Gary Moore mij als geen ander de tachtiger jaren helpen doorkomen zonder mijn belangstelling in de muziek totaal te verliezen. En ook al kon de muziek die hij de afgelopen twintig jaar heeft gemaakt mij nauwelijks meer boeien en zal ik de blues er niet van de weeromstuit alsnog van krijgen, het idee dat zijn Gibson Les Paul nu voor altijd zal zwijgen stemt mij weemoedig.
Share on Facebook
February 22nd, 2011 at 17:37
Ik moest ook een tikkie slikken toen ik het hoorde. Kende hem nog van zijn werk in Thin Lizzy en Collosseum en dat geeft een andere kijk dan dat je alleen Moore’s latere werk kent.
Alhoewel de man al ouder en ouder werd is zijn einde uiteindelijk toch nog een bijna traditionele rockers-dood geworden.
En dan zetten we nu “Out In The Fields” Nog maar een keer op als compromis.