Er is een volksréveil in de Arabische wereld gaande, en ik moet onwillekeurig terugdenken aan mijn tijd in de Filipijnen. Mensen gingen en masse de straat, in dit geval EDSA, de Périphérique van Manila, op en stukje bij beetje sloot het leger zich bij hen aan om de tot dan heersende dictator te verdrijven. Aanvankelijk waren dit alleen de soldaatjes die erop uit waren gestuurd om met tanks en pantserwagens de orde te handhaven, maar naarmate de adhesie voor de opstand opwaarts doorsloeg in de militaire rangen, wankelde de positie van Ferdinand Marcos steeds heviger om uiteindelijk, toen de generaals Juan Ponce Enrile en Fidel Ramos zich ook aan de kant van de oppositie schaarden, om te vallen.
Ik verbleef in die tijd op de campus van een universiteit in Quezon City, volgde de gang van zaken zowel vanuit de academische wereld daar als – op veilige afstand want ik ben niet zo’n held – op straat en kreeg aldus een redelijk compleet en eerstehands beeld van die opstand. Teruggekomen in Nederland nam ik achteraf kennis van de berichtgeving over deze omwenteling. Men wilde meer vrijheid, zo luidde het hier. Men was de kleptomane en megalomane Marcos na twintig jaar helemaal zat en hij moest en zou wijken, desnoods met het vege lijf dwars door de tanks heen. En het is waar, de jonge intelligentsia steunde de volksrévolte van harte op principiële gronden – maar niet alleen daarom. Men wilde ook van de Amerikanen af met wie Marcos zowat het bed deelde. Vooral de militaire bases, nog steeds operationeel na de Vietnamoorlog, in Olongapo en Angeles City waren een doorn in het oog en voelden als een postkoloniale knevel.
Maar de gewone mensen, het gepeupel zo men wil, uit stadsghetto’s als Meycauayan, Mandaluyong en Tondo bekommerden zich nauwelijks om verheven principes. Bij hen liep de riolering door de regengeul langs de onverharde en in de regentijd nauwelijks begaanbare straat, moesten de kinderen de dagelijkse gezinskost bijeenscharrelen met hawking van Coca Cola, Marlboro en Balut rond jeepneys bij een stoplicht of kruispunt, bruikbaar afval opscharrelen op Smokey Mountain, of prostitutie bij of in de vele bars en disco’s in de uitgaanswijk Ermita. Zij wilden alleen maar overleven en vonden hun dagelijkse situatie zo uitzichtloos dat iedere verandering als verbetering gold. Ze vormden het decor dat de revolutie zoveel massa meegaf dat het doorslaan ervan onvermijdelijk werd.
Ik verbaasde mij indertijd enorm over het gebrekkige begrip van de gelaagdheid van de menselijke aard toen ik met terugwerkende kracht de kranten doornam op de berichtgeving rond de Filipijnse volksopstand. Mensen zijn daar niet anders als hier, zo vond ik – en vind ik nog steeds. Alleen hun situatie was anders en deed hen anders reageren. Dit vraagt om een korte toelichting op het mensbeeld dat ik erop na hou.
De meest basale drijfveer is naar mijn overtuiging angst, de instinctieve overlevingsdrang wanneer iemand op het naakte bestaan is teruggeworpen in de dagelijkse strijd daaraan niet te bezwijken. Wanneer de grond voor die angst is weggenomen valt deze op den duur als het ware in slaap en geeft hij ruimte aan de wil, het domein van ambitie, jaloezie, economie, gezinsvorming, kunst, godsdienst en het streven naar persoonlijke vrijheid. Vanwege het besef van de eigen sterfelijkheid kent de wil geen volkomen bevrediging maar wel allerlei punten waarop deze gedwee is te krijgen, als bij een heroineverslaafde die met zijn fix weer een tijdje tevreden onder de pannen is. Pas wanneer de wil even tot zwijgen is gebracht, althans geen hoge toon meer aanslaat, krijgt de rede – tijdelijk, zolang de wil dat toelaat - de ruimte om de boel eens in ruimer perspectief te overzien. Het is dit onbeduidende gelegenheidsdomeintje waarin aan ideologieën, empathie en andere weldoenerijen biotoop wordt verleend, en waarop het ideale mensbeeld meestal wordt gevestigd. Het ligt evenver van de werkelijke menselijke aard verwijderd als wereldvrede, die alleen mogelijk wordt bij welzijn voor iedereen. Dit is weer alleen mogelijk bij de onvoorwaardelijke bereidheid te delen, wat opgave van het eigendomsbegrip vereist. De geschiedenis van het communisme heeft geleerd hoe slecht zich dit met de menselijke aard verdraagt, alle goede bedoelingen van Karl Marx ten spijt. En bij de minste dreiging zal de angst ontwaken, rede en wil gezwind het hazepad kiezen, en de mens worden teruggeworpen in de eigen, angstgedreven overlevingsdrang.
Zo werd de drijfveer van de Filipijnse volksopstond voor ons begrijpelijk gemaakt als vrijheidsstreven, maar betrof het in feite de lont in het kruitvat van het naakte bestaan. Dat laatste voelen wij meestal als bedreigend. Hun voortbestaan zou immers wel eens ten koste van het onze kunnen gaan en ik hoef Geert Wilders maar voor de geest te halen om te weten hoeveel onlustgevoel dat kan opleveren. Vrijheid verkoopt makkelijker en is veiliger. Dit lijkt paradoxaal, want in de westerse wereld is men inmiddels bereid gebleken veel veiligheidswater bij de vrijheidswijn te doen voor meer bescherming tegen al dan niet vermeend, maar in ieder geval onzichtbaar terrorisme. Maar dit is de weer ontwakende angst, energiek gewekt door vooral de overheid, die de staart roert en lak heeft aan iedere rationele consistentie.
Ik heb het Midden-Oosten ook ooit bezocht, en volgens mij zijn de Arabische onlusten een variatie op hetzelfde thema. Vrijwel alle Libiërs, Tunesiërs, Egyptenaren, Jemenieten en Omanieten willen simpelweg meer kans op overleving, kan het zijn waardig, van zichzelf en hun gezin. In de meeste gevallen hebben zij vrijwel niets te verliezen en weten ze zich gesterkt door de groeiende massaliteit om zich heen van het verzet tegen een gevestigde orde die zij – terecht – verantwoordelijk houden voor de eigen ellende van alledag. Men keert zich daar tegen totalitaire maar welbeschouwd verbijsterend stompzinnige machtselites die zelfs het kipsimpele en fundamentele gegeven dat bevoegdheid nu eenmaal altijd gepaard gaat aan verantwoordelijkheid niet eens begrijpen, en aan wie de pek en veren die hen al jaren wacht eindelijk lijkt te gaan toekomen.
Share on Facebook